Voorwaarden individueel schrijnend geval

Voorwaarden individueel schrijnend geval

 

Op grond van de schrijnende gevallenregeling zoals die in de vaststellingsovereenkomsten tussen verschillende verzekeraars en belangenorganisaties is opgenomen, kan een polishouder een (aanvullende) vergoeding van zijn verzekeraar ontvangen, indien is voldaan aan de in die schrijnende gevallenregeling geformuleerde voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per vaststellingsovereenkomst.

Hieronder een overzicht:

1 Nationale- Nederlanden Levensverzekering N.V./ING Levensverzekeringen Retail N.V. /RVS Levensverzekering N.V.

Ingevolge artikel 3.1 van de overeenkomst (ondertekend op 23 december 2010) is sprake van een individueel schrijnend geval in het geval van “materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen voor individuele Polishouders die, verband houden met de bijzondere c.q. specifieke  productrisico’s van hun Beleggingsverzekering of Fractieverzekering (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico)”. Daarvan is volgens artikel 3.1 van de overeenkomst sprake in de volgende gevallen:

  1. merkbare gevolgen van de zogenaamde “hefboom”- en/of  “inteer”-effecten;
  2. merkbare gevolgen ten aanzien van grote polissen, voor zover die niet door de regeling in artikel 2 worden gecompenseerd;
  3. materiële ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van tussentijdse financiële, verlagende mutaties, voor zover die niet door de regeling in artikel 2 worden gecompenseerd;
  4. materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van de overeengekomen berekeningssystematiek; en
  5. overige schrijnende gevallen.   

Ad a. Het recht op schadevergoeding zal in dit geval ingevolge artikel 3.3 van de overeenkomst worden vastgesteld overeenkomstig de methodiek vastgelegd in bijlage 5 van de overeenkomst, waarbij sprake is van een drempel van € 50,- (met herverdeling overeenkomstig het bepaalde in de Bijlagen 4 en 5. Het eventuele recht op schadevergoeding heeft uitsluitend betrekking op de periode vanaf het aangaan van de Beleggingsverzekering tot de datum van de berekening, die zal zijn gelegen binnen drie maanden voor de in artikel 2.4 sub (f) bedoelde brief of elektronische mededeling of zoveel eerder als de Beleggingsverzekering is beëindigd. Als blijkt dat de Polishouder van een Beleggingsverzekering volgens de hiervoor bedoelde methodiek en met inachtneming van de hiervoor genoemde drempel van € 50,- recht heeft op schadevergoeding in de zin van artikel 3.1 sub (a) wordt deze schadevergoeding per datum berekening aan de waarde van de Beleggingsverzekering toegevoegd. Indien de Beleggingsverzekering  inmiddels is beëindigd wordt de schadevergoeding separaat uitgekeerd.

Ad b. Verzekeraars zullen ingevolge artikel 3.4 van de overeenkomst alle bij Beleggingsverzekeringen in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 2.1 voor Beleggingsverzekeringen met een fondswaarde van meer dan € 100.000,- maximeren tot 1,25% van de fondswaarde per jaar voor het meerdere boven € 100.000. Voor de fondswaarde tot en met € 100.000,- blijven de in artikel 2.1 sub (a) en (b) genoemde maxima onverminderd van kracht. De in artikel 2.1 sub (c) en (d) genoemde toeslagen blijven in alle gevallen van toepassing. Uitsluitend de aan Polishouders uit hoofde van dit artikel 3.4 daadwerkelijk uitgekeerde dan wel uit te keren schadevergoedingen die de ingevolge artikel 2 uitgekeerde, dan wel uit te keren schadevergoedingen te boven gaan worden beschouwd als schadevergoedingen in individuele schrijnende gevallen overeenkomstig dit artikel 3.
Ad c. Onder tussentijdse financiële verlagende mutaties worden ingevolge artikel 3.5 in ieder geval, doch niet alleen, verstaan: premieverlagingen, premievrijmakingen, duurverkortingen en andere situaties waarbij de som van de verschuldigde en de reeds betaalde premies daalt ten opzichte van de situatie vlak voor de mutatie.
Richtlijnen voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van een eventuele aan een individuele Polishouder toekomende (aanvullende) tegemoetkoming zijn opgenomen in Bijlage 6 bij de Overeenkomst. Ingevolge artikel 1 van de Richtlijnen tussentijdse financiële verlagende mutaties en tussentijdse beëindiging (Bijlage 6) kan een polishouder een beroep doen op het fonds voor schrijnende gevallen in geval van onvrijwilligheid. Van onvrijwilligheid is sprake als aannemelijk is dat de tussentijdse financiële verlagende mutatie verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de Polishouder dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de polis voortzet. Daarvan is sprake in de gevallen zoals opgenomen in de Bijlage.
Ad d. Onder tussentijdse beëindiging (afkoop) als bedoeld in artikel 3.1. vallen ingevolge artikel 3.6 niet tussentijdse beëindiging door overlijden en nihilstelling. In Bijlage 6 bij de overeenkomst zijn richtlijnen geformuleerd voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van een eventuele aan een individuele Polishouder toekomende (aanvullende) tegemoetkoming. Ingevolge artikel 1 van de Richtlijnen tussentijdse financiële verlagende mutaties en tussentijdse beëindiging (Bijlage 6) kan een polishouder beroep doen op het fonds voor schrijnende gevallen in geval van onvrijwilligheid. Van onvrijwilligheid is sprake als aannemelijk is dat de tussentijdse beëindiging verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de Polishouder dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de polis voortzet. Daarvan is sprake in de gevallen zoals opgenomen in de Bijlage.
Ad e.  Er kan ook vergoeding plaatsvinden in geval van schrijnende gevallen die niet onder de in artikel 3 lid 3 tot en met lid 6 van de overeenkomst geregelde situaties kunnen worden geschaard, maar desondanks (door Verzekeraars of derden) als schrijnend worden gepercipieerd als gevolg van de productsystematiek.

In artikel 3.2. van de overeenkomst staat dat de regeling voor individuele schrijnende gevallen geen vergoeding beoogt te bieden voor de directe gevolgen van slechte beleggingsresultaten en evenmin voor de gevolgen van het verval van het eventuele recht op schadevergoeding ingevolge artikel 2, zoals geregeld in artikel 2.4 onder (g). Indien en voor zover de gevolgen van slechte beleggingsresultaten worden versterkt door de (berekenings)systematiek van de Beleggingsverzekering en overigens wordt voldaan aan de eisen van individuele schrijnendheid en dit niet reeds is vergoed in het kader van artikel 2 of artikel 3.1 sub (a) tot en met (d) kan uitsluitend voor het versterkende effect een beroep worden gedaan op deze regeling voor individuele schrijnende gevallen in het kader van artikel 3.1 sub (e).

2  Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V. en N.V. Interpolis BTL

Ingevolge artikel 3.1. van de overeenkomst (ondertekend 15 september 2010) is van een individueel schrijnend geval sprake in het geval van “materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen voor individuele Polishouders die verband houden met de bijzondere c.q. specifieke productrisico’s van hun Beleggingsverzekering (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico)” . Partijen hebben het oog op bijvoorbeeld:
(a) merkbare gevolgen van de zogenaamde “hefboom- en/of inteer”-effecten;
(b) merkbare gevolgen van tussentijdse financiële, verlagende mutaties, voor zover die niet door de regeling in artikel 2.4 sub (c) worden gecompenseerd;
(c) merkbare gevolgen ten aanzien van grote polissen, voor zover die niet door de regeling in artikel 2 worden gecompenseerd; en
(d) materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van de overeengekomen berekeningssystematiek.

Ad a. Het recht op schadevergoeding zal in dit geval worden vastgesteld overeenkomstig een nog nader uit te werken exacte methodiek, waarvan de hoofdlijnen zijn vastgelegd in Bijlage 5, waarbij sprake is van een drempel van € 50,-. Het eventuele recht op vergoeding heeft uitsluitend betrekking op de periode vanaf het aangaan van de Beleggingsverzekering tot de datum van de berekening, die zal zijn gelegen drie maanden voor de in artikel 2.4 sub (f) bedoelde brief of elektronische mededeling of zoveel eerder als de Beleggingsverzekering is beëindigd. Als blijkt dat de Polishouder van een Beleggingsverzekering volgens de hiervoor bedoelde methodiek en met inachtneming van de hiervoor genoemde drempel van € 50,- recht heeft op vergoeding wordt deze vergoeding per datum berekening aan de waarde van de beleggingsverzekering toegevoegd.
Ad b. In geval van tussentijdse financiële, verlagende mutaties (waaronder in ieder geval, doch niet alleen, worden verstaan premieverlagingen, premievrijmakingen, duurverkortingen en andere situaties waarbij de som van de verschuldigde en de reeds betaalde premies daalt ten opzichte van de situatie vlak voor de mutatie), doch niet zijnde tussentijdse beëindiging als bedoeld in artikel 2.4 sub (b), zal de berekening van de eventuele vergoeding plaatsvinden op basis van het werkelijke premieverloop, zonder toepassing van enige vorm van evenredigheid. Hierbij zullen, overeenkomstig de Aanbeveling van 4 maart 2008 onder 4, de eerste kosten, die op het moment van premievrijmaking direct in rekening zijn gebracht, aan de polisworden toegevoegd en derhalve in waarde terugvloeien in het product, tenzij sprake is van een product waarbij die eerste kosten tijdsevenredig en over de gehele looptijd werden toegerekend. Het ingevolge artikel 2.1 vastgestelde maximum kostenpercentage blijft hierbij ongewijzigd. Derhalve worden de in artikel 2.4 sub (c) genoemde uitzonderingen en beperking van de vergoeding gekwalificeerd als schrijnend geval en blijven deze uitzonderingen en beperking van de vergoeding buiten
toepassing. Uitsluitend de kosten samenhangend met het buiten toepassing laten van de uitzonderingen en beperking van de vergoeding van artikel 2.4 sub (c) worden beschouwd als vergoedingen in individuele schrijnende gevallen.
Ad c. Alle bij Beleggingsverzekeringen in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 2.1 voor Beleggingsverzekeringen met een fondswaarde van meer dan € 100.000,- zullen worden gemaximeerd tot 1,5% van de fondswaarde per jaar voor het meerdere boven € 100.000. Uitsluitend de aan Polishouders daadwerkelijk uitgekeerde dan wel uit te keren vergoedingen die de ingevolge artikel 2 uitgekeerde dan wel uit te keren vergoedingen te boven gaan worden beschouwd als vergoedingen in individuele schrijnende gevallen.
Ad d. Buiten de gevallen van artikel 3.1 sub (a) tot en met (c), zijn voor alle overige individuele schrijnende gevallen (waaronder de gevallen bedoeld in artikel 3.1 sub (d) in Bijlage 8 richtlijnen geformuleerd voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van een eventuele aan een individuele Polishouder toekomende (aanvullende) vergoeding. Deze categorie onder d is gedefinieerd als onvrijwillige afkoop. Van onvrijwillige afkoop is sprake als aannemelijk is dat de afkoop verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de verzekeringnemer dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de polis voortzet.

Ingevolge artikel 3.2 van de overeenkomst beoogt de regeling voor individuele schrijnende gevallen geen vergoeding te bieden voor de directe gevolgen van slechte beleggingsresultaten en evenmin voor de gevolgen van het verval van
het eventuele recht op vergoeding ingevolge artikel 2, zoals geregeld in artikel 2.5. Indien en voor zover de gevolgen van slechte beleggingsresultaten worden versterkt door de (berekenings)systematiek van de Beleggingsverzekering en overigens wordt voldaan aan de eisen van individuele schrijnendheid en dit niet reeds is vergoed in het kader van artikel 2 of artikel 3.1 sub (a) tot en met (c) kan uitsluitend voor het versterkende effect wel een beroep worden gedaan op deze regeling voor individuele schrijnende gevallen.

3 SNS Reaal N.V.,SR LEV N.V. en Proteq Levensverzekeringen N.V.  

Ingevolge artikel 3.1. van de overeenkomst van 15 november 2011 is van een individueel schrijnend geval sprake in het geval van “materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen voor individuele Polishouders die verband houden met de bijzondere c.q. specifieke productrisico’s van hun Beleggingsverzekering (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico)”. Partijen hebben het oog op bijvoorbeeld:
(a) merkbare gevolgen van de zogenaamde “hefboom- en/of inteer”-effecten;
(b) merkbare gevolgen van tussentijdse financiële, verlagende mutaties, voor zover die niet door de regeling in artikel 2.4 sub (c) worden gecompenseerd;
(c) merkbare gevolgen ten aanzien van grote polissen, voor zover die niet door de regeling in artikel 2 worden gecompenseerd; en
(d) materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van de overeengekomen berekeningssystematiek.

Ad a. Het recht op schadevergoeding zal in dit geval worden vastgesteld overeenkomstig de methodiek, als vastgelegd in Bijlage 4. Het eventuele recht op vergoeding heeft uitsluitend betrekking op de periode vanaf het aangaan van de Beleggingsverzekering tot de datum van de berekening, die zal zijn gelegen drie maanden voor de in artikel 2.4 sub (f) bedoelde brief of elektronische mededeling of zoveel eerder als de Beleggingsverzekering is beëindigd. Als blijkt dat de Polishouder van een Beleggingsverzekering volgens de hiervoor bedoelde methodiek recht heeft op vergoeding wordt deze vergoeding per datum berekening aan de waarde van de beleggingsverzekering toegevoegd. In afwijking van het hiervoor bepaalde zal ten aanzien van Hybride verzekeringen voor wat betreft het spaardeel worden gerekend met de vaste rente die wordt vergoed over het spaardeel in plaats van met ene bruto fondsrendement van 6%. Voor het overige zal het bruto fondsrendement van 6% wel worden gehandhaafd.
Ad b. In geval van tussentijdse financiële, verlagende mutaties (waaronder in ieder geval, doch niet alleen, worden verstaan premieverlagingen, premievrijmakingen, duurverkortingen en andere situaties waarbij de som van de verschuldigde en de reeds betaalde premies daalt ten opzichte van de situatie vlak voor de mutatie), doch niet zijnde tussentijdse beëindiging als bedoeld in artikel 2.4 sub (b), zal de berekening van de eventuele vergoeding plaatsvinden op basis van het werkelijke premieverloop, zonder toepassing van enige vorm van evenredigheid. Hierbij zullen, overeenkomstig de Aanbeveling van 4 maart 2008 onder 4, de eerste kosten, die op het moment van premievrijmaking direct in rekening zijn gebracht, aan de polis worden toegevoegd en derhalve in waarde terugvloeien in het product, tenzij sprake is van een product waarbij die eerste kosten tijdsevenredig en over de gehele looptijd werden toegerekend. Het ingevolge artikel 2.1 vastgestelde maximum kostenpercentage blijft hierbij ongewijzigd. Derhalve worden de in artikel 2.4 sub (c) genoemde uitzonderingen en beperking van de vergoeding gekwalificeerd als schrijnend geval en blijven deze uitzonderingen en beperking van de vergoeding buiten
toepassing. Uitsluitend de kosten samenhangend met het buiten toepassing laten van de uitzonderingen en beperking van de vergoeding van artikel 2.4 sub (c) worden beschouwd als vergoedingen in individuele schrijnende gevallen.
Ad c. Alle bij Beleggingsverzekeringen in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 2.1 voor Beleggingsverzekeringen met een fondswaarde van meer dan € 100.000,- zullen worden gemaximeerd tot 1,5% van de fondswaarde per jaar voor het meerdere boven € 100.000. Uitsluitend de aan Polishouders daadwerkelijk uitgekeerde dan wel uit te keren vergoedingen die de ingevolge artikel 2 uitgekeerde dan wel uit te keren vergoedingen te boven gaan worden beschouwd als vergoedingen in individuele schrijnende gevallen.
Ad d. Buiten de gevallen van artikel 3.1 sub (a) tot en met (c), zijn voor alle overige individuele schrijnende gevallen (waaronder de gevallen bedoeld in artikel 3.1 sub (d) in Bijlage 5 richtlijnen geformuleerd voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van een eventuele aan een individuele Polishouder toekomende (aanvullende) vergoeding. Deze categorie onder d is gedefinieerd als onvrijwillige afkoop. Van onvrijwillige afkoop is sprake als aannemelijk is dat de afkoop verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de verzekeringnemer dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de polis voortzet.

Ingevolge artikel 3.2 van de overeenkomst beoogt de regeling voor individuele schrijnende gevallen geen vergoeding te bieden voor de directe gevolgen van slechte beleggingsresultaten en evenmin voor de gevolgen van het verval van het eventuele recht op vergoeding ingevolge artikel 2, zoals geregeld in artikel 2.4 sub g. Indien en voor zover de gevolgen van slechte beleggingsresultaten worden versterkt door de (berekenings)systematiek van de Beleggingsverzekering en overigens wordt voldaan aan de eisen van individuele schrijnendheid en dit niet reeds is vergoed in het kader van artikel 2 of artikel 3.1 sub (a) tot en met (c) kan uitsluitend voor het versterkende effect wel een beroep worden gedaan op deze regeling voor individuele schrijnende gevallen.

4 Aegon Nederland N.V., Aegon Levensverzekeringen N.V. en Aegon Spaarkas N.V.

Ingevolge artikel 3.1. van de overeenkomst van 9 juli 2009 is van een individueel schrijnend geval sprake in het geval van “materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen voor individuele Polishouders die verband houden met de bijzondere c.q. specifieke productrisico’s van hun Beleggingsverzekering (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico)” . Partijen hebben het oog op bijvoorbeeld:
(a) merkbare gevolgen van de zogenaamde “hefboom”- en/of “inteer”-effecten;
(b) merkbare gevolgen van tussentijdse financiële, verlagende mutaties, voor zover die niet door de regeling in artikel 2.4 sub (c) worden gecompenseerd;
(c) merkbare gevolgen ten aanzien van grote polissen, voor zover die niet door de regeling in artikel 2 worden gecompenseerd; en
(d) materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van de overeengekomen berekeningssystematiek.

Ad a. Het recht op schadevergoeding zal in dit geval worden vastgesteld overeenkomstig een nog nader uit te werken exacte methodiek, waarvan de hoofdlijnen zijn vastgelegd in Bijlage 6, waarbij sprake is van een drempel van € 50,-.  Het eventuele recht op vergoeding heeft uitsluitend betrekking op de periode vanaf het aangaan van de Beleggingsverzekering tot de datum van de berekening, die zal zijn gelegen drie maanden voor de in artikel 2.4 sub (f) bedoelde brief of elektronische mededeling of zoveel eerder als de Beleggingsverzekering is beëindigd. Als blijkt dat de Polishouder van een Beleggingsverzekering volgens de hiervoor bedoelde methodiek en met inachtneming van de hiervoor genoemde drempel van € 50,- recht heeft op vergoeding wordt deze vergoeding per datum berekening aan de waarde van de beleggingsverzekering toegevoegd.
Ad b. In geval van tussentijdse financiële, verlagende mutaties (waaronder in ieder geval, doch niet alleen, worden verstaan premieverlagingen, premievrijmakingen, duurverkortingen en andere situaties waarbij de som van de verschuldigde en de reeds betaalde premies daalt ten opzichte van de situatie vlak voor de mutatie), doch niet zijnde tussentijdse beëindiging als bedoeld in artikel 2.4 sub (b), zal de berekening van de eventuele vergoeding plaatsvinden op basis van het werkelijke premieverloop, zonder toepassing van enige vorm van evenredigheid. Hierbij zullen, overeenkomstig de Aanbeveling van 4 maart 2008 onder 4, de eerste kosten, die op het moment van premievrijmaking direct in rekening zijn gebracht, aan de polis worden toegevoegd en derhalve in waarde terugvloeien in het product, tenzij sprake is van een product waarbij die eerste kosten tijdsevenredig en over de gehele looptijd werden toegerekend. Het ingevolge artikel 2.1 vastgestelde maximum kostenpercentage blijft hierbij ongewijzigd. Derhalve worden de in artikel 2.4 sub (c) genoemde uitzonderingen en beperking van de vergoeding gekwalificeerd als schrijnend geval en blijven deze uitzonderingen en beperking van de vergoeding buiten
toepassing. Uitsluitend de kosten samenhangend met het buiten toepassing laten van de uitzonderingen en beperking van de vergoeding van artikel 2.4 sub (c) worden beschouwd als vergoedingen in individuele schrijnende gevallen.
Ad c. Alle bij Beleggingsverzekeringen in rekening gebrachte kosten als bedoeld in artikel 2.1 voor Beleggingsverzekeringen met een fondswaarde van meer dan € 100.000,- zullen worden gemaximeerd tot 1,5% van de fondswaarde per jaar voor het meerdere boven € 100.000. Uitsluitend de aan Polishouders daadwerkelijk uitgekeerde dan wel uit te keren vergoedingen die de ingevolge artikel 2 uitgekeerde dan wel uit te keren vergoedingen te boven gaan worden beschouwd als vergoedingen in individuele schrijnende gevallen.
Ad d. Buiten de gevallen van artikel 3.1 sub (a) tot en met (c), zullen voor alle overige individuele schrijnende gevallen (waaronder de gevallen bedoeld in artikel 3.1 sub (d) richtlijnen worden geformuleerd voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van een eventuele aan een individuele Polishouder toekomende  vergoeding. Deze richtlijnen zijn neergelegd in de Coulanceregeling kostenmaximering beleggingsverzekeringen Aegon. De categorie onder d is hierin gedefinieerd als onvrijwillige afkoop. Van onvrijwillige afkoop is sprake als aannemelijk is dat de afkoop verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de verzekeringnemer dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de polis voortzet.

Ingevolge artikel 3.2 van de overeenkomst beoogt de regeling voor individuele schrijnende gevallen geen vergoeding te bieden voor de directe gevolgen van slechte beleggingsresultaten en evenmin voor de gevolgen van het verval van
het eventuele recht op vergoeding ingevolge artikel 2, zoals geregeld in artikel 2.5. Indien en voor zover de gevolgen van slechte beleggingsresultaten worden versterkt door de (berekenings)systematiek van de Beleggingsverzekering en overigens wordt voldaan aan de eisen van individuele schrijnendheid en dit niet reeds is vergoed in het kader van artikel 2 of artikel 3.1 sub (a) tot en met (c) kan uitsluitend voor het versterkende effect wel een beroep worden gedaan op deze regeling voor individuele schrijnende gevallen.

5 Delta Lloyd

Ingevolge artikel 4.1. van de overeenkomst van 11 juni 2010 is van individuele schrijnende gevallen sprake in de situaties zoals omschreven in de paragrafen 1A tot en met D van dit artikel.
A. Hefboomeffect
De vergoeding voor het hefboomeffect is gelijk aan het (positieve) verschil tussen de som van de daadwerkelijk betaalde overlijdensrisicopremies en de overlijdensrisicopremies die verschuldigd zouden zijn wanneer sprake zou zijn geweest van een brutorendement van 6% op jaarbasis.  Deze vergelijking wordt gemaakt op de peildatum, die zal zijn gelegen op ofwel 1 januari 2011 ofwel, indien de Beleggingsverzekering reeds beëindigd is, op d e datum van de beëindiging. De vergoeding wordt per datum berekening, tegen de alsdan geldende koersen, aan de waarde van de Beleggingsverzekering toegevoegd.
B. Onvrijwillige afkoop
Van onvrijwillige afkoop is sprake als aannemelijk is dat de afkoop verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de Polishouder dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de Beleggingsverzekering voortzet.  Daarvan is in ieder geval sprake indien voldaan is aan alle voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 4.6 of aan alle voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 4.7. Waaruit de vergoeding bestaat blijkt uit artikel 4.8.
C. Grote polissen
Bij alle beleggingsverzekeringen die een fondswaarde hebben van meer dan € 100.000,- zal Verzekeraar de kosten als bedoeld in artikel 2.1 van het Addendum maximeren tot
(a) 1,5% van de fondswaarde per jaar voor het meerdere boven het bedrag van € 100.000,- voor Beleggingsverzekeringen waarbij geen garantie geldt van ten minste 3% over het netto fondsrendement;
(b) 2,15% van de fondswaarde per jaar boven het meerdere boven het bedrag van € 100.000,- voor Beleggingsverzekeringen waarbij een garantie geldt van ten minste 3% over het netto fondsrendement.
D. Overige schrijnende gevallen
Dit zijn gevallen die niet onder a tot en met c vallen maar desondanks als schrijnend worden gepercipieerd als gevolg van de productsystematiek.

Ingevolge artikel 4.2 van de overeenkomst beoogt de regeling voor individuele schrijnende gevallen geen vergoeding te bieden voor de directe gevolgen van slechte beleggingsresultaten en evenmin voor de gevolgen van het verval van
het eventuele recht op vergoeding ingevolge artikel 2, zoals geregeld in artikel 2.14. Indien en voor zover de gevolgen van slechte beleggingsresultaten worden versterkt door de (berekenings)systematiek van de Beleggingsverzekering en overigens wordt voldaan aan de eisen van individuele schrijnendheid en dit niet reeds is vergoed in het kader van artikel 2 kan uitsluitend voor het versterkende effect wel een beroep worden gedaan op paragraaf D van deze regeling voor individuele schrijnende gevallen.

6 ASR Levensverzekering N.V., als rechtsopvolgster van N.V. Amersfoortse Levensverzekering Maatschappij, Falcon Leven N.V., Fortis ASR Beleggingsconsortium Maatschappij voor Beleggen en Verzekeren N.V., Fortis ASR Levensverzekering N.V., Interlloyd Levensverzekering Maatschappij N.V. en VSB Leven N.V.

Ingevolge artikel 3.1. van de overeenkomst is van een individueel schrijnend geval sprake in het geval van “materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen voor individuele Polishouders die verband houden met de bijzondere c.q. specifieke productrisico’s van hun Beleggingsverzekering (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico)”. Partijen hebben het oog op:
(a) merkbare gevolgen van de zogenaamde “hefboom”- en/of “inteer”-effecten;
(b) materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van tussentijdse financiële, verlagende mutaties, voor zover die niet door de regeling in artikel 2 worden gecompenseerd;
(c) materiële, ongerechtvaardigde en onaanvaardbare gevolgen van de overeengekomen berekeningssystematiek;en
(d) overige schrijnende gevallen.
Ad a. Het recht op schadevergoeding zal in dit geval worden vastgesteld overeenkomstig de methodiek als vastgelegd in Bijlage 4. Het eventuele recht op vergoeding heeft uitsluitend betrekking op de periode vanaf het aangaan van de Beleggingsverzekering tot de datum van de berekening, die zal zijn gelegen drie maanden voor de in artikel 2.4 sub (f) bedoelde brief of elektronische mededeling of zoveel eerder als de Beleggingsverzekering is beëindigd. Als blijkt dat de Polishouder van een Beleggingsverzekering volgens de hiervoor bedoelde methodiek recht heeft op vergoeding wordt deze vergoeding per datum berekening aan de waarde van de beleggingsverzekering toegevoegd. In afwijking van het hiervoor bepaalde zal ten aanzien van Hybride verzekeringen voor wat betreft het spaardeel worden gerekend met de vaste rente die wordt vergoed over het spaardeel in plaats van met een bruto fondsrendement van 6%.
Ad b. Partijen hebben inzake tussentijdse financiële, verlagende mutaties (waaronder in ieder geval, doch niet alleen, worden verstaan premieverlagingen, premievrijmakingen, duurverkortingen en andere situaties waarbij de som van de verschuldigde en de reeds betaalde premies daalt ten opzichte van de situatie vlak voor de mutatie, in Bijlage 5 richtlijnen geformuleerd voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van eventuele aan een individuele Polishouder toekomende (aanvullende) tegemoetkoming. Deze categorie is gedefinieerd als onvrijwillige tussentijdse financiële verlagende mutaties. Van een onvrijwillige tussentijdse financiële mutatie is sprake als aannemelijk is dat de tussentijdse financiële verlagende mutatie verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de Klant dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de polis (ongewijzigd) voortzet. Van onvrijwilligheid is sprake als voldaan is aan alle voorwaarden zoals opgenomen onder punt 2 van Bijlage 5 of als voldaan is aan alle voorwaarden als opgenomen onder punt 3 van Bijlage 5. 
Ad c. Partijen hebben inzake tussentijdse beëindiging (niet zijnde tussentijdse beëindiging door overlijden of nihilstelling) in Bijlage 5 richtlijnen geformuleerd voor de wijze en het tijdstip van vaststelling en uitbetaling van een eventuele aan een individuele Polishouder toekomende tegemoetkoming. Van een onvrijwillige tussentijdse beëindiging (afkoop) is sprake als aannemelijk is dat de tussentijdse afkoop verband houdt met een zodanige wijziging van de persoonlijke situatie van de Klant dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de polis (ongewijzigd) voortzet. Van onvrijwilligheid is sprake als voldaan is aan alle voorwaarden zoals opgenomen onder punt 2 van Bijlage 5 of als voldaan is aan alle voorwaarden als opgenomen onder punt 3 van Bijlage 5. 
Ad d. Individuele gevallen die niet onder artikel 3 lid 3 tot en met 5 geregelde situaties kunnen worden geschaard maar desondanks als schrijnend worden gepercipieerd als gevolg van de productsystematiek.

Ingevolge artikel 3.2 van de overeenkomst  beoogt de regeling voor individuele schrijnende gevallen geen vergoeding te bieden voor de directe gevolgen van slechte beleggingsresultaten en evenmin voor de gevolgen van het verval van het eventuele recht op vergoeding ingevolge artikel 2, zoals geregeld in artikel 2.4 sub g. Indien en voor zover de gevolgen van slechte beleggingsresultaten worden versterkt door de (berekenings)systematiek van de Beleggingsverzekering en overigens wordt voldaan aan de eisen van individuele schrijnendheid en dit niet reeds is vergoed in het kader van artikel 2 of artikel 3.1 sub (a) tot en met (c) kan uitsluitend voor het versterkende effect wel een beroep worden gedaan op deze regeling voor individuele schrijnende gevallen.